Search This Blog

Loading...

9/27/2012

Een beeld zegt mínder dan 100 woorden

De Braun-Feldweg Preis toont het beste van de Duitse designcultuur. Waar ter wereld schrijven designstudenten meer dan tienduizend woorden? Waar ter wereld is er de rust in de designcultuur om over teksten te spreken? Teksten te vergelijken en teksten te beoordelen? Het gaat hier trouwens niet om een typisch studentenprobleem. Voor designprofessionals geldt hetzelfde; ook zij schrijven niet graag. De hele beroepsgroep lijkt dyslexie te hebben. In geen ander vakgebied zijn zoveel ghostwriters en catalogusschrijvers te vinden als in de designwereld, want de designers zelf kunnen het niet. Op designscholen komt relatief veel dyslexie voor; ze hebben een aantrekkingskracht op mensen met een slecht gevoel voor taal.


In de contemporaine cultuur kunnen studenten zonder moeite duizenden beelden ophoesten, sorteren, bewerken en publiceren. Ook het laten zien van beelden aan een publiek of een docent lukt ze zonder veel moeite.

beeldende wapenwedloop
Is het u opgevallen dat er op designsymposiums een beeldende wapenwedloop gaande is? Vroeger lieten ontwerpers tijdens een voordracht zo’n twintig dia’s zien. Een 'slede' noemden we dat. Wie er nu 50 laat zien is geen uitzondering. Ik maak regelmatig mee dat  mensen meer dan 120 beelden laten zien, soms op twee schermen tegelijk. Als ik ze daar als moderator vooraf op aanspreek hoor ik steevast:  “Ja, maar ik kan het heel snel hoor.”

Alsof het kunst is om niet alleen een overdaad aan beeld over een publiek uit te storten, maar dat ook nog heel snel te kunnen. Stelt u zich een chef-kok voor, die u 30 gangen wil laten eten in twintig minuten met de aanbeveling: “Ik kan het heel snel opdienen hoor.”

Biologisch beeld
Naar vergelijking met de voedselindustrie zou er in de beeldcultuur “Neuland of bio-beeld” moeten zijn. Zorgvuldiger behandeld, met respect opgenomen en de rechten ervan zijn goed geregeld.

Met respect opgenomen betekend bijvoorbeeld: geen beelden van aanslagen en de daders van de aanslagen. Het is abject dat u en ik een beeld in ons hoofd hebben van het gezicht van een gruwelijke Noor die tientallen mensen om het leven heeft gebracht omdat hij zich miskent voelde. Het is nog erger dat u en ik zijn stropdas kennen die hij droeg tijdens het proces. Ik wil dat beeld niet kennen, maar ik kom daar onmogelijk onderuit.

In beeldcultuur bestaat namelijk geen bio-beeld en geen Fair Trade Beeld. Het enige dat voor kritische beeldconsumenten mogelijk is, zijn vormen van abstinentie. Geen televisie kijken, geen computerspellen spelen, geen magazines doorbladeren en geen kranten lezen. Misschien dat de stropdas van Breivik je dan bespaard blijft. Maar makkelijk is dat niet.

In beeldcultuur lijkt een volledige gelijkwaardigheid en democratie te heersen. Een onscherp snapshotje uit een telefoon kan het opnemen tegen een geënsceneerd beeld waar een week aan gewerkt. En een vakantiekiek is op het internet van dezelfde orde als een schilderij van Vermeer. Ook promoverende ontwerpers heb ik horen klagen dat 'beelden niet als woorden tellen' voor hun promotie. Wat zou hun voorstel zijn? Om een beeld voor tien woorden te tellen, zodat we met 4000 beelden kunnen promoveren?


Tekstcultuur 
Met teksten hebben we al die problemen niet, woorden zijn niet zo eenvoudig te produceren als beelden. En niet iedereen kan het ook zomaar. Als je meer dan duizend woorden schrijft, moet je je heel precies uiten. Dat betekent dat je een idee, een motivatie, een argumentatie én een opbouw moet maken. Het proces van schrijven vraagt doorzettingsvermogen, concentratie, creativiteit en als het even kan: humor.

Wie een tekst schrijft, laat zich in zijn hoofd kijken en de meeste designers vrezen dat. Want pas dan komt het gebrek aan visie, het gebrek aan motivatie, historische kennis en aan kritiek ten volle aan het licht.
Als je een volwassen tekst leest, tekenen de karaktereigenschappen en tekortkomingen van de schrijver zich haarfijn af. Is hij creatief, is hij zorgvuldig, slordig of moedig? Is hij of zij ijdel en heeft hij veel wetenschappelijke pretentie? Kan de schrijver hoofd- van bijzaken onderscheiden? Heeft hij taalgevoel en heel belangrijk: heeft hij gevoel voor humor?

Zo verhullend als beelden kunnen zijn, zo ontmaskerend zijn  woorden als ze gedrukt worden. Daarom moet ik nu ook snel ophouden, anders loop ik in de door mijzelf zorgvuldig beschreven val.

Het vermogen om te schrijven is dus (ook in de designwereld) een proeve van bekwaamheid. Een prijs is een goed instrument om aandacht te vragen voor teksten en om het schrijven in scholen te stimuleren.
Het stimuleren van schrijven (via een prijs) is belangrijk voor de precisie van ontwerpers, en voor het ontwerpvak.

In een designcultuur die steeds meer drijft op de overweldigende beeldencultuur is het van belang het vak te verdiepen. Daarnaast blijkt dat de schrijvende ontwerper, die Braun Feldweg zelf was, nog steeds bestaat. Creativiteit is niet iets wat zich alleen in beeldcultuur uit: het uit zich evenzo in tekst.

Plezier te lezen
De winnaar van dit jaar toont dat fantastisch aan: het is een plezier om zulk een verrassende gedachtengangen te volgen. Het is een ontwerpende tekst, er wordt een gedachte ontvouwd en er wordt tot actie overgegaan. Dat maakt deze tekst zo bijzonder: het is geen klassieke designkritiek, of designbespreking. Het is een activistische tekst over een persoonlijke ontwikkeling van de schrijver.

In de tekst van de prijswinnaar Moritz Grund volgen we de relatie die hij als jonge ontwerper heeft met zijn bezittingen, dingen, objecten, producten. De zorgvuldige beschrijving van die relatie is waardevol in een tijd van overconsumptie. Een zorgvuldige en liefdevolle relatie tussen product en gebruiker is sowieso de sleutel naar duurzaamheid. Die relatie wordt ook in zijn tekst gelegd.

Door zijn zelfopgelegde limiet om 100 producten te gebruiken stelt de schrijver de relatie tussen object en gebruiker op scherp. De schijnbaar bizarre therapie om met 100 spullen een normaal leven te leiden is waardevol én aantrekkelijk. Het past goed in een trend van 'real life challenges'. Je zou het zo tot een reality televisieformat om kunnen schrijven.

Als je met respect ieder ding -ieder object- benadert zal je automatisch niets kopen dat je niet nodig hebt. Niets kopen dat je na één keer gebruiken weer weggooit, zoals een wegwerpbeker of een cellulose zakdoek.

Je zal producten voor verschillende doeleinden gaan gebruiken. Je zal je bij alles afvragen of je een product écht nodig hebt en wat je er nog meer mee kunt. En wat je er mee kan als je het ondersteboven of achterstevoren gebruikt. Kortom: je zal jezelf dwingen om echt na te gaan of het product je leven verrijkt, of het iets wezenlijks gaat bijdragen aan je leven. Dat doet Grund allemaal in een toegankelijke tekst.

Activistisch
De winnende tekst heeft niet zo zeer een wetenschappelijk ambitie, eerder een activistische en creatieve. De tekst toont een specifieke vorm van ontwerpend onderzoek.

In het onderwijs zijn de meningen over verschillende vormen van ontwerpend onderzoek zeer verdeeld.  Er wordt dan ook stevig gediscussieerd over de vraag wat onder ontwerpend onderzoek verstaan moet worden. Het is een zoekend discours. In vergelijking tot klassiek wetenschappelijke vakgebieden zijn er in design relatief weinig professoren en is er relatief weinig ontwerponderzoek. Slechts af en toe promoveert er een ontwerper.

De prangende vragen die ter tafel liggen zijn niet eenvoudig op te lossen. Is ontwerpend onderzoek een louter beschrijvende bezigheid, zoals designkritiek? Kan een ontwerp (een object, een product) het bewijs vormen in een onderzoek? Wat is het verschil tussen onderzoekend ontwerpen en ontwerpend onderzoeken? Moet ontwerponderzoek systematisch zijn, en zo ja: wat betekent dat voor het ontwerpen? Moet een ontwerpproces in een wetenschappelijke context herhaalbaar zijn? Betekent dat dat je ontwerpkwaliteit  kan afdwingen langs van te voren beschreven procedures? Het ligt voor de hand in een context als deze een oproep te doen voor meer wetenschappelijk ontwerponderzoek, maar ik zal dat niet doen.

De schrijvende ontwerper en de wetenschap
De schrijvende ontwerper, die door deze prijs gestimuleerd zou moeten worden, is niet per sé gebaat bij een wetenschappelijke context. De wortels van die opvatting gaan terug naar een wezensvraag over het ontwerpen zelf. Kan de ontwerpende discipline zich goed tot wetenschap verhouden? Is ontwerpen wetenschappelijk?

Mijn antwoord telt vier letters: Neen. Ik denk daarom dat we niet tegen elke prijs op zoek moeten gaan naar een wetenschappelijke erkenning of fundering van het vakgebied. Ik zie de beste ontwerpers in Europa van de academies komen, niet van de universiteiten. Ik zie op de technische en artistieke hogescholen een sneller reactievermogen op ontwikkelingen in het vakgebied dan op de universiteiten.

Zo is er op de recente verbreding van het vak in de richting van social-design, open-design, service-design en design-thinking vanuit de hogeschool adequaat en actief gereageerd. Managementscholen bieden design-thinking cursussen aan, diverse kunstacademies onderwijzen open design en social design. Het discours erover is aangevuurd door de scholen, niet door de universiteiten. Maar dat zijn allemaal nog géén argumenten tegen wetenschappelijkheid van het vak.

Op gespannen voet
De meeste ontwerpopleidingen aan universiteiten staan op gespannen voet met de wetenschappelijke aanspraak. Zelfs in de vakrichtingen van architectuur is deze discussie met regelmaat aan de orde.

In de kern van ontwerpen huist creativiteit, daar is iedereen het wel over eens. En juist die kern laat zich niet wetenschappelijk grijpen. Creativiteit is maar moeizaam bewijsbaar en vooral moeilijk herhaalbaar en afroepbaar te maken.

Creativiteit beschrijven lukt nog wel (neurobiologische eigenschap van een levend systeem aangaande de flexibiliteit van het hersens). Maar creativiteit veroorzaken, creatieve processen herhaalbaar maken, creativiteit sturen of vervangen gaat niet.

In elk geslaagd ontwerpproces huist een welhaast onlogisch en onvoorspelbaar onderdeel. Je kan in ontwerpen grote delen van het proces uitschrijven en formaliseren, maar een belangrijke vonk is ten principale onwetenschappelijk.

Ik weet dat ik mezelf niet populair maak met mijn opvatting, maar ik ben ervan overtuigd dat in de kern ontwerpen een onwetenschappelijk vak is. Het beroep deelt zijn wezen met artistieke disciplines, zoals beeldhouwen en schilderen en daarnaast met management, sociale vaardigheden, procesdisciplines en planning. Enkele flanken zijn dus wetenschappelijk te verankeren, maar de andere niet.

Hollandse export 
Terug naar de start. Wie aan Nederlandse exportproducten denkt, denkt aan kaas, marihuana en tulpen. Behalve die lekkernijen leveren we stervoetballers, designers en designcritici. Die designcritici zijn vereerd en gelukkig om betrokken te zijn in dit project, dat hen helpt na te denken over kwesties in het vakgebied.

Ik heb grote waardering voor de kalmte en de zorgvuldigheid van het Duitse debat, ook in de design. Ik ben blij daar deel van uit te mogen maken. Net als bij de voetballers worden designcritici beter als ze in een andere cultuur hun beroep uitoefenen. Omdat de nieuwe context iets anders van ze vraagt, en ze zich opnieuw moeten aanpassen en bewijzen. Daarom: Lang leve de Duitse designcultuur, lange leve de BF -Preis, Lang leve Moritz Grund en lang leve de Duitse debatcultuur.